Geert van Dartel (63) is voorzitter van de Raad van kerken Nederland en secretaris van de Katholieke Vereniging voor Oecumene.

Iedere zondag zeggen of zingen we de geloofsbelijdenis. Wat geloven wij? Dit is deel twee in een serie van zes artikelen over de geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel, in een oecumenisch perspectief ontleed aan de hand van het boek Wij geloven. Rooms-katholiek en protestant: één geloof. De geloofsbelijdenis van Nicea / Constantinopel (uitgelegd door Bram van de Beek en Herwi Rikhof).

De geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel (uit 325/381) heeft een trinitaire structuur. Iedere zondag belijden we in de Kerk het geloof in één God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Wat opvalt is dat de formuleringen over de Vader en de Geest beknopt zijn in vergelijking met de uitvoerige verwoording van het geloof in één Heer, Jezus Christus.

Van de Beek en Rikhof openen het hoofdstuk over ‘De almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde’ met de opmerking dat de uitspraak over Jezus: ‘Jezus is de Heer’ (1 Kor. 12,3 en Fil. 2,11) de oudste belijdenis van de Kerk is. Hiermee wordt bovenal uitgesproken dat in Christus God in ons midden gekomen is. De vroegste christelijke gemeente erkende dat Jezus deze heilige God is. Pas in de tweede eeuw worden deze christologische belijdenissen uitgebreid met zinsneden over de Vader, de Almachtige en de Schepper. Op de achtergrond speelt het uiteengaan van de Kerk en Israël en de vraag of de God van Jezus, die in essentie liefde is, wel dezelfde is als de jaloerse en wraakzuchtige God die we in het Oude Testament ook tegenkomen.

Het aanzetten van de tegenstelling tussen de God van het Oude en het Nieuwe Testament is verbonden met de naam van Marcion (ca. 140), die onder heidenchristenen een grote invloed had. De Kerk hield echter vast aan de onverbrekelijke band tussen het Oude en het Nieuwe Testament, tussen de God van Israël en de God van Jezus. Dat kwam tot uitdrukking in de uitbreiding van de geloofsbelijdenis, die door dopelingen moest worden uitgesproken. Kon men in de eerste eeuw om gedoopt te worden volstaan met de belijdenis: ‘Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is’, in doopbelijdenissen vanaf de tweede eeuw moest de dopeling ook uitspreken: ‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde’.

Voor de moderne mens, die leeft in een onttoverde wereld, is het niet makkelijk te belijden dat God de Almachtige Vader en Schepper is

Door deze beslissing van de Kerk bleef de christelijke theologie geworteld in het Oude Testament: “Wij geloven in één God” – zo begint het credo – de Vader, die de bron is van alle leven en de gever van het goede. Hij is Schepper en Heer van de geschiedenis. Tegelijkertijd werden daarmee alle vragen binnengehaald waarmee al de oude profeten van Israël worstelden en waarmee vandaag veel mensen, zij het in een heel andere context, zich vaak geen raad weten. Want hoe kan het, dat als God alles bestuurt en Hij almachtig is, het kwaad in de wereld zo oppermachtig is. Waarom gaat het de vromen vaak slecht en degenen die onrecht plegen zo goed?

Van de Beek en Rikhof onderkennen de spanning in de belijdenis van God als almachtige Vader en Schepper en gaan in op een aantal prangende vragen: is het lijden de wil van God? Wat zegt de heilige Schrift daarover in de Psalmen en in het boek Job? Hoe staat het met het morele kwaad en het natuurlijke kwaad? Is er een kwaad dat absoluut niet te plaatsen is? Zal er sprake zijn van een rechtvaardige vergelding voor geleden onrecht of heeft ook die vergelding zijn grenzen?

De vragen worden niet uitputtend behandeld en dat kan ook niet. Ze zullen ons blijven achtervolgen zolang we leven. Evenmin komen we met deze vragen dichter bij het antwoord op de vraag waarom het juist en belangrijk blijft om Gods almacht te belijden. Daarvoor is een perspectiefwisseling nodig, die we op eigen kracht niet kunnen voltrekken, maar waarvan verhalen in de Schrift zoals over Job en over de blindgeborene (Joh. 9,3) getuigen. Het gaat erom dat in de volharding en in de genezing Gods macht zichtbaar moet worden. Dat is het perspectief van de hele Schrift, het Oude en het Nieuwe Testament. De macht van God is sterker dan de machten van deze wereld.

Voor de moderne mens, die leeft in een onttoverde wereld, waarin alles maakbaar lijkt, is het niet makkelijk om te belijden dat God de Almachtige Vader en Schepper is. Van de Beek en Rikhof stellen dat de verkaveling van bevoegdheden tussen God en mens dat geloof ondergraaft. Ze pleiten ervoor om vast te houden aan het geloof in de God, de Almachtige Vader en Schepper, en hanteren het onderscheid tussen eerste oorzaak en tweede oorzaken bij de heilige Thomas van Aquino (die het geleend heeft van de Griekse filosoof Aristoteles) om duidelijk te maken wat het betekent. God, de Almachtige Vader en Schepper is als Eerste Oorzaak de bron en het geheim dat aan het leven vooraf gaat, het omvat, het voltooit en er altijd zal zijn. Dat staat de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid niet in de weg. En evenmin zal het de vraag naar het waarom wegnemen waar kruis en lijden steeds weer op ons pad komen.

Geert van Dartel

Ik geloof in één God, de al­mach­ti­ge Vader, Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en on­zichtbaar is.