Het is vrijdag 27 maart ’s avonds om 18.00 uur als paus Franciscus over een leeg Sint-Pietersplein naar het bordes voor de kerk loopt. Het regent. Het wordt langzaam donker. Met woorden en stilte, met gebeden voor een bijzondere Maria-icoon en een wonderkruis, met aanbidding voor het Allerheiligste, met een speciale zegening met de monstrans van de Stad en Wereld, deed Paus Franciscus “de schatkamer van de Kerk open”.

Hieronder kunt u de Nederlandse vertaling lezen van een indrukwekkende en bemoedigende preek die Paus Franciscus hield bij deze historische en unieke Urbi et Orbi (een pauselijke zegen die uitsluitend met Kerstmis en Pasen en bij het begin van een pontificaat wordt gegeven). Ook de smeekbeden (die voor het Allerheiligste, Christus zelf, gehouden werden) vindt u hier. Om thuis te bidden. En om zo de Heer te vragen het einde van deze coronacrisis te bespoedigen en de mensen te redden.

Schrifttekst gebedsviering: Marcus 4, 35-41

Op diezelfde dag tegen het vallen van de avond sprak Jezus tot hen: “Laten we oversteken.” Zij stuurden het volk weg en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat; andere boten begeleidden Hem. Er stak een hevige storm op en de golven sloegen over de boot, zodat hij al vol liep. Intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” Hij stond op, richtte zich met een dwingend woord tot de wind en sprak tot het water: “Zwijg, stil!” De wind ging liggen en het werd volmaakt stil. Hij sprak tot hen: “Waarom zijn ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar: “Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”

Preek van Paus Franciscus

‘Tegen het vallen van de avond’ (Markus 4:35). Zo begint de passage uit het evan­ge­lie dat we zojuist hebben gehoord. Het lijkt nu al wekenlang of de avond is gevallen. Het duister is neergedaald over onze pleinen, onze straten en onze ste­den; het heeft zich meester gemaakt van ons leven. Het vult alles met een oorverdovende stilte en een trooste­loze leegte, die alles op haar weg verlamt. Je voelt het in de lucht, je ziet het aan de gebaren, je ziet het aan hoe mensen kijken. We zijn bang en verward. Zoals de discipelen in het evan­ge­lie zijn wij ineens gegrepen door een on­ver­wacht op­ge­ko­men razende storm. We merken dat we allemaal in het­zelfde schuitje zitten. We zijn kwets­baar en we zijn de weg kwijt, en toch zijn we allemaal heel be­lang­rijk en nodig. We moeten allemaal samen roeien en elkaar troost bie­den. In die boot zitten wij met z’n allen. Net zoals die leer­lin­gen, die met één stem spreken en angs­tig zeggen: “We ver­gaan” (vers 38). Zo merken ook wij dat we niet ieder voor zich verder kunnen, maar alleen ge­za­men­lijk.

We kunnen ons­zelf mak­ke­lijk herkennen in dit verhaal. Wat moei­lijker te begrijpen is, is de hou­ding van Jezus. Terwijl de leer­lin­gen na­tuur­lijk in paniek raken, ligt Hij aan de achtersteven, het deel van de boot dat als eerste onder zal gaan. En wat doet Hij? In alle tumult ligt Hij rus­tig te slapen, ver­trouwend op de Vader. Het is de enige keer in het Evan­ge­lie dat we Jezus slapend zien. Als Hij gewekt wordt, kalmeert Hij de wind en de wateren en dan spreekt Hij op verwijtende toon tot Zijn discipelen: ‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het moge­lijk dat ge nog geen geloof bezit?’ (vers 40).

We proberen het te begrijpen. Waaruit bestaat het gebrek aan geloof bij de leer­lin­gen dat tegen­over het ver­trouwen van Jezus wordt gesteld? Ze waren niet opge­hou­den in Hem te geloven. Ze riepen Hem aan. Maar laten we zien hoe ze dat doen: “Meester, kan het U schelen dat wij ver­gaan?” (vers 38). “Kan het U niet schelen?”: ze denken dat Jezus niet meer om hen geeft. Een van de dingen die ons thuis het meeste pijn doet, is als iemand zegt: “Kan ik je dan niets schelen?” Dat is een zin die pijn doet en stormen in het hart veroor­zaakt. Het zal Jezus ook pijn gedaan hebben. Want niemand is meer met ons begaan dan Hij. Zodra Hij aan­ge­roe­pen is, redt Hij het leven van zijn ongelo­vi­ge discipelen.

De storm legt onze kwets­baar­heid bloot, en de valse en overbo­dige zeker­he­den waar onze agenda, plannen, ge­woon­ten en priori­teiten bol van staan. Het laat zien hoe we datgene in slaap hebben laten sukkelen wat ons leven en onze ge­meen­schap voedt, onder­steunt en kracht geeft. De storm legt bloot hoe wij het liefst datgene wegstoppen en vergeten wat de geest van onze volkeren voedt. Hoe wij ons­zelf trachten te verdoven met ge­woon­ten die ons lijken te red­den, terwijl wij losgeraakt zijn van onze wor­tels en onze voor­ou­ders vergeten zijn, zodat wij geen weerstand meer hebben om tegenspoed het hoofd te bie­den.

Met de storm vervaagt de schmink van de ste­reo­ty­pen die ons ego verhul­den, omdat wij ons altijd druk maakten over ons imago. We zien opnieuw de saam­ho­rig­heid waar we ons niet aan kunnen ont­trek­ken. De saam­ho­rig­heid als broeders en zusters.

We dachten dat we sterk waren…

‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het moge­lijk dat ge nog geen geloof bezit?’ Heer, Uw woord treft ons van­avond. Het gaat ons allen aan. In deze wereld, die Gij meer liefhebt dan wij, zijn wij voortgeraasd. We dachten dat we sterk waren en alles kon­den. Op winst belust lieten we toe dat de dingen ons beheersten en de haast ons bedwelmde. We ston­den niet stil bij Uw waar­schu­wingen. We wer­den niet wakker door de oorlogen en het we­reld­wijde onrecht, wij luister­den niet naar de schreeuw van de armen en van onze erns­tig zieke planeet. We gingen onverstoor­baar door en dachten gezond te blijven in een zieke wereld. En nu, mid­den op de hoge zee, roepen wij U aan: “Word wakker, Heer!”

‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het moge­lijk dat ge nog geen geloof bezit?’ Heer, U doet een beroep op ons en een beroep op ons geloof. We moeten niet zozeer geloven dat U bestaat, maar tot U komen en op U ver­trouwen. In deze Vasten­tijd weer­klinkt Uw dringende oproep: “Bekeer je!”, “Keer met heel je hart terug tot Mij” (Joël 2:12). U roept ons op om deze tijd van be­proe­ving te zien als een tijd van kiezen. Dit is niet de tijd van Uw oor­deel, maar van ons oor­deel.

De tijd om te kiezen wat be­lang­rijk is en wat voorbij zal gaan. Om on­der­scheid te maken wat nood­za­ke­lijk is en wat niet. Het is een tijd om ons leven weer naar U en onze mede­mensen te richten, God. Daarbij kunnen we een voor­beeld nemen aan veel mensen die ondanks hun angst hun leven gegeven hebben. Dat is de kracht van de Geest die wordt uitgestort en die zich uit in moe­dige en genereuze toe­wij­ding. Het is het leven van de Geest dat kan verlossen, verbe­te­ren en tonen hoe onze levens verweven zijn met en onder­steund wor­den door gewone mensen die meestal vergeten wor­den, die niet in de krantenkoppen staan of op de catwalk in weer een nieuwe tv-show. Maar zij zijn degenen die nu de door­slag geven bij alles wat er gebeurt. Artsen, verpleeg­kun­digen, super­markt­me­de­werkers, schoonmakers, ziekenver­zor­gers, chauffeurs, wets­handhavers, vrij­wil­li­gers, gees­te­lij­ken en nog velen meer, die begrepen hebben dat niemand het in z’n eentje kan doen. Door het lij­den, waarin de ware ont­wik­ke­ling van onze volkeren te zien is, ontdekken en ervaren we het pries­ter­lijke gebed van Jezus: “Opdat zij allen één mogen zijn” (Johannes 17, 21).

Hoeveel mensen oefenen niet elke dag geduld en leven in hoop en zorgen dat ze geen paniek zaaien, maar nemen hun verant­woor­de­lijk­heid. Vele vaders, moeders, opa’s, oma’s en leraren tonen aan onze kin­de­ren, met kleine, dage­lijkse gebaren hoe ze een crisis het hoofd kunnen bie­den en moeten doorstaan door hun ge­woon­ten aan te passen, hun blik op te heffen en te bid­den. Vele mensen bid­den en bie­den hulp aan voor het wel­zijn van ie­der­een. Het gebed en stille behulp­zaam­heid zijn de wapens waar­mee we over­win­nen.

‘Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het moge­lijk dat ge nog geen geloof bezit?’ Het begin van geloof is weten dat je red­ding nodig hebt. We zijn niet zelfvoor­zienend; in ons eentje ver­drin­ken we: we hebben de Heer nodig, net zoals de schippers vroeger de sterren nodig had­den. Laten we Jezus uit­no­di­gen in de bootjes van onze levens. Laten we Hem onze angsten geven, zodat Hij ze kan over­win­nen. Net als Zijn discipelen merken we dan dat we met Hem aan boord niet ver­drin­ken. Want dat is de kracht van de Heer: alles wat ons over­komt ten goede keren, ook de slechte dingen. Hij brengt onze stormen tot rust, want met God sterft het leven nooit.

De Heer daagt ons uit en nodigt ons uit om temid­den van onze storm de soli­da­ri­teit en de hoop te laten opbloeien die ons tot steun kunnen zijn in tij­den waarin alles mis lijkt te gaan. De Heer sti­mu­leert ons om ons geloof in Pasen te doen ont­waken en herleven. We hebben een anker: door Zijn kruis zijn we gered. We hebben een roer: door Zijn kruis zijn we verlost. We hebben hoop: door Zijn kruis zijn we genezen en wor­den we omarmd, zodat niets en niemand ons kan schei­den van Zijn verlossende liefde. In ons isole­ment lij­den we onder het ont­bre­ken van affectie en ont­moe­tingen en ervaren we het gebrek aan veel dingen. Laten we nogmaals luis­te­ren naar de ver­kon­di­ging die ons redt: Hij is opgestaan en leeft in ons mid­den. De Heer daagt ons vanaf Zijn kruis uit om ons leven terug te vin­den dat ons wacht en te kijken naar mensen die onze tijd opeisen om de genade die in ons leeft te ver­ster­ken, te erkennen en te stimuleren. Laten we zorgen dat het vlammetje van de hoop (zie Jesaja 42: 3) die nooit ziek wordt, niet uitgaat. En laten we de hoop opnieuw laten oplaaien.

Zijn kruis omarmen betekent de moed vin­den om alle tegen­slagen van de hui­dige tijd te omarmen en even onze zucht naar almacht en bezit te vergeten om ruimte te geven aan de creativi­teit die alleen de Geest kan opwekken. Het betekent de moed vin­den om ruimten te creëren waar ie­der­een zich welkom voelt en om nieuwe vormen toe te laten van gast­vrij­heid, broeder­schap en soli­da­ri­teit. Door Zijn kruis zijn we gered, zodat we weer hoop krijgen. Laat het kruis alle manieren steunen en ver­ster­ken die ons kunnen helpen om ons­zelf en anderen te red­den. De Heer omarmen om de hoop te omarmen. Dat is de kracht van het geloof, dat ons bevrijdt van angst en ons hoop biedt.

“Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het moge­lijk dat ge nog geen geloof bezit?” Dier­ba­re broeders en zusters, vanaf deze plek die ver­telt van het rotsvaste ver­trouwen van Petrus, wil ik u van­avond allen toe­ver­trou­wen aan de Heer, door tussen­komst van de heilige Maagd, heil van het volk, Sterre der zee in de storm. Moge vanaf deze zuilenrij die Rome en de wereld omarmt, Gods zegen als een troostende omar­ming over u dalen. Heer, zegen de wereld, geef de lichamen ge­zond­heid en de harten troost. U vraagt ons om niet bang te zijn, maar ons geloof is zwak en we zijn bang. Heer, laat ons niet in de greep van de storm blijven. Zeg ons nog een keer: ‘Wees niet bang’ (Matheus 28:5). En laat ons met Petrus zeggen: “Wij schuiven alle zorgen op U af, want U hebt zorg voor ons.” (1 Petrus 5: 7).

Aanroepingen van de paus

Via de onderstaande knop gaat u naar de aanroepingen, die de paus deed tot de Heer.