In onze kerken of onze huizen, zelfs buitenshuis op kruispunten van wegen of als sieraad om onze hals, als tattoo, een kruisbeeld is niet weg te denken uit onze omgeving. Vaak met een zogeheten ‘corpus’ eraan. Was dit altijd al zo?

“De joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas,” schreef de apostel Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs (1,22-23). Voor de eerste christenen was het kruis zeker niet iets om prat op te gaan. Het was aanstootgevend. De kruisiging was in de tijd van Jezus een methode om iemand ter dood te brengen, waarbij het slachtoffer werd vastgebonden of vastgenageld aan een houten paal met dwarsbalk en hij bleef er hangen tot de dood erop volgde. De doodsstrijd kon dagen duren en uiteindelijk stierf men door verstikking. Het werd in de Romeinse tijd gezien als een zeer oneervolle manier van sterven. Om die reden werd Jezus in de Vroege Kerk niet gekruisigd afgebeeld. Denk daarbij ook aan de tekst van Paulus in zijn Korintebrief. Christenen ontwikkelden in de eerste eeuwen een soort geheimtaal met symbolen, tekens en letters die verwezen naar Jezus en de belangrijkste momenten uit zijn aardse leven, zoals het chi-rho monogram (naar de eerste twee Griekse letters van Christos, vissen (in het Grieks: ichtus, een acroniem voor Jezus Christus, Gods Zoon, Redder), een anker (waarin een kruis zichtbaar was, tevens een symbool voor hoop), de goede herder (naar het Bijbelverhaal) enzovoort.

De oudste afbeelding van Christus’ kruisiging is gevonden in Rome, in een hofpageschool op de Palatijn, de heuvel waar de keizers woonden. Het betreft een spotprent van een persoon die een gekruisigde man met ezelskop prijst. ‘Alexamenos aanbidt zijn god’ staat eronder.

Pas in de zesde eeuw vindt het kruisbeeld algemeen ingang in de iconografie. Bijzonder is een afbeelding van de kruisiging van Jezus op een houten paneel van de hoofdingang van de Santa-Sabinakerk op de Aventijnheuvel in Rome. U kunt het er vandaag de dag nog steeds bewonderen.

Op iconen uit de traditie van de Oosterse Kerken wordt Christus geschilderd als een levende figuur, met de ogen open, als een triomferende redder. Hij draagt een kroon en houdt zijn armen gespreid (een kruis makend). In de vroege middeleeuwen kwam dit type afbeelding – levend en triomferend, naar het Johannesevangelie – ook in het westen van Europa voor. Soms werden er rondom het kruis met corpus afbeeldingen van het leven van Jezus geschilderd.

Iedere kunststroming (of het nu de renaissance is of de barok) had zijn invloed op de afbeelding van Christus aan het kruis

In de negende eeuw doet langzaam maar zeker het type van de lijdende, de dode Christus aan het kruis zijn intrede. Het oudste en bekendste voorbeeld van een lijdende Christus is het zogenoemde tiende-eeuwse Gero-kruis dat in de Dom van Keulen hangt en werd vervaardigd in opdracht van de Keulse aartsbisschop Gero (969-976). Christus hangt uitgeput en gemarteld aan het kruis, zijn gebogen hoofd naar voren, de ogen gesloten en de mond iets geopend. Deze levendige uitbeelding van het lijden van Christus zou gedurende de middeleeuwen en erna uitgroeien tot een belangrijk kenmerk van de West-Europese kerkelijke kunst. Door deze vorm kwam de nadruk te liggen op het lijden van Jezus en de pijnlijke realiteit van een kruisiging.

Iedere kunststroming (of het nu de renaissance is of de barok) had zijn invloed op de afbeelding van Christus aan het kruis. Door stijltyperingen werd het lichaam van Christus gespierder of niet, de lendendoek korter of langer. Tot aan de moderne vormgeving, abstract bijvoorbeeld, van Christus aan het kruis.

Orthodoxie

In orthodoxe kerken (in Griekenland, Rusland enzovoort) wordt het kruis van Jezus op een andere wijze afgebeeld, het zogeheten Byzantijnse kruis. Kenmerkend is dat dit kruis (met of zonder corpus) drie dwarsbalken heeft: de bovenste de kruistitel (met de INRI-tekst) en de onderste de voetsteun. Het kruisbeeld van de Russisch-Orthodoxe Kerk telt twee dwarsbalken, waarvan de onderste schuin. De onderste, diagonale dwarsbalk van het kruis wordt gezien als de arm van een weegschaal, waarvan de uiteinden verwijzen naar de twee misdadigers die tezamen met Jezus Christus werden gekruisigd: het opgeheven uiteinde verwijst naar de berouwvolle, ‘goede’, misdadiger, het naar beneden wijzende gedeelte naar de lasteraar (zie Lc. 23,39-43).

Protestantisme

Door de Reformatie veranderde het kerkbeeld in Europa. Protestanten (in Nederland de Calvinisten) kwamen met een vereenvoudiging van het volksgeloof, de liturgie, de kerkgebouwen en dus ook van de kruisbeelden. Zij gebruikten vooral een eenvoudig, houten kruis. Daarmee wilden ze vooral de wederopstanding benadrukken en verkozen daarom geen afbeelding van Christus zelf op het kruis.

Eric van Teijlingen
Eric Fennis