Marcel Poorthuis is hoogleraar in de dialoog tussen de godsdiensten aan de Faculteit Katholieke Theologie van Tilburg University

De conservator van het Van Gogh Museum heeft de discussie geopend of een schilderij van een naakte vrouw wel in een museum thuishoort, “gezien de #Me Too-discussie en de andere culturen”. Dat zijn twee heel verschillende argumenten die ik allebei de revue zal laten passeren.

De conservator doelde op het schilderij ‘Badende vrouw’ van Edgar Degas, dat speciaal voor het Van Gogh Museum is aangekocht. Degas was zo verrukt van het vrouwelijk lichaam dat hij er zeker een tiental schilderijen van heeft gemaakt. De schilder leert ons de schoonheid van het lichaam opnieuw te bezien. Het schilderij straalt intimiteit uit, het tegendeel van porno dus, waar het juist om een brutaalweg blootstellen gaat. We nemen de Me Too– discussie serieus. Dat vrouwen lastig gevallen worden door mannen die macht over hen hebben is een ernstige zaak. Het christendom heeft daarover nog steeds een aantal morele regels die misschien weer eens afgestoft moeten worden, óók door christenen zelf. De vraag is echter of die zaak gediend wordt door een verbod op naakt in de kunst. Ik vrees dat zo’n voorstel averechts gaat werken!

Edgar Degas – Badende vrouw – Van Gogh Museum

Het christendom heeft een aantal morele regels die misschien weer eens afgestoft moeten worden, óók door christenen zelf

De lezer heeft hierbij natuurlijk onmiddellijk aan Godfried Bomans gedacht. Zijn column “Over onzedelijke beelden” (in bundel Capriolen) neemt de preutsheid op de hak. Het gaat over een zedenmeester die overal rondspeurt waar naakte beelden hun ‘verderfelijke invloed’ doen gelden. “De uitstraling van een slecht, dat is ongekleed beeld kan men op drie kilometer schatten. Binnen die actieradius is de bevolking, of het nu eenvoudige landlieden of kleine tuinders betreft, totaal bedorven. Zelfs is het voorgekomen dat op dertig kilometer afstand een boer opeens op de grond spuwde. Het was voor ons zo heel gemakkelijk om het naakt op te sporen.” De lachsalvo’s die Bomans met zijn voordrachten wist te scoren duiden erop dat mensen zich bevrijd voelden van een beklemmende moraal. Bestond die er dan? Ja, wel degelijk. Zo was er de Boekenschouw, die vanaf 1900 voor r.k.-lezers alle literatuur screende op geschiktheid. Menige roman werd daarbij afgewezen. En dat was nog een vooruitgang vergeleken met de tijd dat álle romans uit den boze waren. Deze schrikwekkende cultuurvijandigheid ligt gelukkig achter ons. 

Bomans zou nu geen lachsalvo’s meer weten op te wekken, omdat mensen vandaag de dag niet zouden weten waarvan ze bevrijd zouden moeten worden. En dat is ook wel weer wat vreemd natuurlijk: er is geen gezamenlijk gedragen moraal en ieder beslist het voor zichzelf. Een beperkte visie die al snel tegen grenzen aanloopt: iets is goed omdat ík het vind. We kunnen ook té tolerant zijn: vrouwenhandel in Nederland is een treurig gegeven, waarmee we internationaal opvallen! Nu zitten we dus in een merkwaardige tweespalt: opgelucht dat een benauwende lichaamsvijandige moraal is verdwenen en een nieuwe bekommernis, samen te vatten onder de #Me Too-beweging. Een nieuwe bekrompenheid zal echter vrouwen niet steunen, eerder integendeel. Dat een nieuw moralisme dreigt, dat verrassend veel lijkt op het verleden, is zonneklaar.

Het tweede argument: de andere culturen, kan men beter aan die andere culturen zelf overlaten. Ieder is vrij om te gaan kijken. Per slot is de beroemde verzameling verhalen in het Arabisch: Duizend-en-één-nacht, ook bepaald niet preuts!